Dankzij moderne technologieën is het tegenwoordig een stuk makkelijker om thuis te werken. Dit komt dan ook steeds vaker voor. Niet alleen is het een wens van veel werknemers, werkgevers stimuleren het ook steeds meer.

De meningen zijn verdeeld of thuiswerken wordt gestimuleerd onder de werkkostenregeling. Er wordt in ieder geval wel rekening gehouden met werknemers die willen thuiswerken. De WKR maakt hierbij een onderscheid tussen Arbovoorzieningen en niet-Arbovoorzieningen.

Arbovoorzieningen
Arbovoorzieningen zijn voorzieningen die voortvloeien uit de Arbovoorschriften die passen bij uw arbeidsvoorzieningsbeleid. Deze voorzieningen kunt u onbelast verstrekken als ze eigendom blijven van u als werkgever. De werknemer is dus slechts gebruiker. Daarnaast moet de voorziening passen binnen het arbeidsvoorwaardenbeleid van uw organisatie, mag de werknemer er geen privévoordeel van hebben en moet de werknemer de voorziening in de werkruimte thuis gebruikt. Deze werkruimte moet voldoen aan de Arbostandaarden.

U mag de voorziening ook daadwerkelijk verstrekken aan uw werknemer, zodat uw werknemer er wel eigenaar van wordt. In dat geval wordt de voorziening wel belast. Op dit punt is de werkkostenregeling dus minder fiscaal voordelig dan de huidige regeling. Natuurlijk kunt u de voorziening ook in de vrije ruimte plaatsen. Zolang u deze vrije ruimte niet overschrijdt, is de voorziening onbelast.

Ook Arbovoorzieningen buiten de werkplek (denk aan een keuring bij de Arbodienst) vallen onder deze vrijstelling.

Niet-Arbovoorzieningen
Een aantal zaken hebben niets metArbovoorzieningen te maken, maar wel met thuiswerken. Onder voorwaarden kunnen ook die voorzieningen worden vergoed, verstrekt of ter beschikking worden gesteld zonder dat dit effecten heeft op de vrije ruimte van de WKR. Voorwaarden die gelden zijn:

  • het moet gaan om gereedschap of mobiele communicatiemiddelen (denk aan smartphone, tablet, laptop);
  • de voorziening is noodzakelijk om de dienstbetrekking behoorlijk uit te (kunnen) oefenen;
  • de werkgever betaalt de voorziening; en
  • zodra het niet meer noodzakelijk is wordt de voorziening teruggegeven of betaalt de werknemer de dan geldende waarde aan de werkgever.

Indien de werkgever oordeelt dat een voorziening noodzakelijk is dan wordt daar door de Belastingdienst bij aangesloten. Dat is alleen anders indien de Belastingdienst aannemelijk kan maken dat die voorziening niet noodzakelijk is voor de behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking.

Deel dit bericht. Kies je platform!